Minister Vervotte en Vlaamse ziekenhuiskoepels akkoord over verplichte registratie van ziekenhuisinfecties  (31/01/2006)

Vlaams minister van Volksgezondheid Inge Vervotte is met de ziekenhuiskoepels overeengekomen dat de registratie van de ziekenhuisinfecties verplicht moet worden. Samen met een strengere controle op het naleven van de maatregelen is zo’n verplichte registratie noodzakelijk om de verspreiding van de ziekenhuisbacterie terug te dringen.

Omwille van het belang dat Vlaams minister van Volksgezondheid Vervotte hecht aan de problematiek van de ziekenhuisinfecties, ging ze binnen haar Vlaamse bevoegdheden creatief op zoek naar een eigen hefboom. Vlaanderen is op basis van het decreet van 17 oktober 2003 verantwoordelijk voor de kwaliteit en inspectie van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen. Vervotte roept nu artikel 6 in van ditzelfde decreet. Dit artikel bepaalt dat de Vlaamse Regering per betrokken sector een lijst kan opstellen van aspecten van zorg die een bijzondere maatschappelijke waarde hebben. Vlaams minister Vervotte wil het beleid tegen de ziekenhuisbacterie laten opnemen in die lijst, waardoor het een onderdeel wordt van het kwaliteitsbeleid én de inspectie van de Vlaamse overheid. Na overleg met de ziekenhuiskoepels is zij nu overeengekomen dat registratie een verplicht thema zal zijn waar ziekenhuizen aan moeten werken.

Ziekenhuizen werken een beleid uit rond de aanpak van ziekenhuisinfecties. Hierin moet concreet staan hoe ze systematisch gegevens verzamelen over de ziekenhuisinfecties en hoe ze die ter beschikking zullen stellen (met respect voor de privacy van de patiënten.) Dit beleid zal ook gecontroleerd worden. Naast de uitgebreide inspectie in de ziekenhuizen, kan men specifiek de aanpak van de ziekenhuisinfecties met elk individueel ziekenhuis opvolgen. Deze maatregelen komen bovenop de acties die de ziekenhuizen al voeren om de ziekenhuisinfecties te voorkomen.

Op 18 januari is met de koepels besproken hoe binnen de Vlaamse bevoegdheden de registratie van ziekenhuisinfecties verplicht kan gemaakt worden en hoe het toezicht op de aanpak van de ziekenhuizen zal verlopen. Op een tweede overleg op 9 februari zal een concreet voorstel voor die registratie- en inspectieprocedure aan de koepels voorgelegd worden.

Een zelfde overleg komt er ook met de ouderensector op 3 februari. Hier zal verder gebouwd worden op basis van preventierichtlijnen, die vorig jaar met de sector in consensus zijn bepaald.

Gezondheidsenquête 2004: Vlaanderen zet goede resultaten neer  (26/01/2006)

1. Gezondheidstoestand

1.1. Subjectieve Gezondheid: 8 op de 10 Vlamingen voelt zich goed

De subjectieve gezondheid wordt zowel op individueel als op maatschappelijk niveau beschouwd als één van de beste gezondheidsindicatoren. De resultaten van de subjectieve beoordeling van de eigen gezondheid zijn in 1997, 2001 en 2004 quasi identiek gebleven in Vlaanderen en in België.

„X In Vlaanderen is 79% van de bevolking tevreden over de eigen gezondheid
(tegenover 75% in het Brussels Gewest en 73% in het Waals Gewest)
„X Internationaal vergeleken, zet Vlaanderen behoorlijk goede resultaten neer
(tevredenheid in Engeland 74%, Denemarken 78%, Noorwegen 80%, Zwitserland 86%). Enkel Zwitserland scoort beduidend beter dan Vlaanderen.

1.2. Langdurige ziekten, aandoeningen en handicaps

Op vlak van langdurige ziekten, aandoeningen en handicaps zien we eveneens stabiele resultaten voor deze derde Gezondheidsenquête.
„X In Vlaanderen heeft 21% te kampen met een langdurige ziekte, aandoening of handicap. (25% in het Brussels Gewest en 28% in het Waals Gewest)
„X 6% van de Vlamingen meldt een officieel erkende handicap.
„X Bij een internationale vergelijking met gegevens uit 2001 scoort Vlaanderen hier veruit het beste. In Noorwegen heeft 38% van de bevolking een langdurige ziekte, aandoening of handicap, in Denemarken 41% en in Engeland 45%.
„X Algemeen stellen we vast dat bij lagere socio-economische groepen meer gezondheidsproblemen voorkomen.

Vergrijzingsziekten in opmars
Een aantal ziektes neemt toe: hoge bloeddruk, diabetes, osteoporose, cataract, glaucoom.
Het gaat om ziektes die vooral geassocieerd zijn met een hogere leeftijd, dus ze zijn grotendeels te wijten aan de vergrijzing. Diabetes en hoge bloeddruk stijgen echter los van het vergrijzingeffect.
Voor de inschatting en de planning van toekomstige noden en diensten zijn dit zeer waardevolle cijfers voor het Vlaamse gezondheidsbeleid.

Van de mensen die lijden aan één of meer chronische aandoeningen of handicaps, is 15% ernstig beperkt in zijn functioneren.

1.3. Mentale gezondheid

Eén op de vier Belgen ouder dan 15 jaar (24%) kampt met psychisch onwelbevinden. Over de drie gezondheidsenquêtes, zijn dit stabiele gegevens. In de helft van de gevallen (13%) gaat het om tamelijk ernstige mentale ziekten:
- 6% geeft aan bvb. een ernstige depressie te hebben doorgemaakt
- 4% geeft aan ooit geprobeerd te hebben om zelfmoord te plegen.

Dit ligt in lijn met de Europese gegevens: jaarlijks wordt 27% van de volwassen bevolking in de EU geconfronteerd met mentale gezondheidsproblemen.
De meeste indicatoren voor mentale gezondheid zijn gunstiger in Vlaanderen dan in de rest van het land, uitzonderingen hierop zijn angstgevoelens en slaapproblemen. Zo tellen we in het Vlaams Gewest (21%) minder mensen met psychologische problemen dan in Brussel (31%) en Wallonië (30%).
Uit de enquête blijkt ook dat steeds vaker een psychische zorgverlener geraadpleegd wordt. In 1997 consulteerde 33% van de Vlamingen met een depressie een specialist. In 2004 consulteerde 40% van de Vlaamse bevolking met een depressie een specialist. Dat wijst erop dat psychische problemen beter (h)erkend worden.

2. Leefstijl

We leven niet alleen langer omdat de wetenschap evolueert, maar ook omdat de leefhygiëne verbetert. Cultuur en omgeving hebben een groot effect op leefgewoonten Sinds de gemeenschappen het gezondheidsbeleid aansturen, haalt Vlaanderen zowel door zijn algemene (gezondheids)cultuur als door het systematisch gevoerde (preventieve) gezondheidsbeleid, resultaten die op internationaal vlak absoluut mogen gezien worden.

2.1. Lichaamsbeweging

Om gezond te zijn, moeten we elke dag minstens 30 minuten aan lichaamsbeweging doen. Vlaanderen is op dit vlak al koploper, maar toch is er nog een weg af te leggen:
40% van de Vlamingen doet dagelijks minimaal 30 minuten aan lichaamsbeweging
(22% in het Brussels Gewest en 30% in het Waals Gewest.)

2.1.1. Lichaamsbeweging in de vrije tijd
- Bijna 8 op de 10 Vlamingen (79%) ouder dan 15 doet aan lichaamsbeweging in z’n vrije tijd
(73% in het Brussels Gewest en 69% in het Waals Gewest)
- 25% van de Belgische bevolking loopt een gezondheidsrisico wegens een gebrek aan lichaamsbeweging in de vrije tijd.
- 19% Vlamingen vanaf 15 jaar doet in de vrije tijd minstens 4 uur per week aan lichaamsbeweging, 60% doet minder dan 4 uur per week aan lichaamsbeweging en 21% doet helemaal niet aan lichaamsbeweging.
- Een aantal bevolkingsgroepen loopt een hoger risico door een tekort aan lichaamsbeweging tijdens de vrije tijd:
o Vrouwen in het algemeen, maar vooral jonge vrouwen tussen 15 en 24 jaar en vrouwen van 75 en ouder.
o Personen in het Waals Gewest (31%) lopen een hoger risico door gebrek aan lichaamsbeweging dan personen in het Vlaams Gewest (21%).
2.1.2. Lichaamsbeweging algemeen
- In het Vlaamse Gewest doet 40% van de bevolking dagelijks 30 minuten aan lichaams-beweging tegenover 30% in het Waalse Gewest en 22% in Brussel.
- 34% van de Belgische bevolking doet dagelijks gedurende minstens 30 minuten aan matige of intensieve lichaamsbeweging en 22% minstens 60 minuten per dag. Voor Vlaanderen is dit 40%, respectievelijk 25%. Het gaat hier dus niet enkel om lichaamsbeweging in de vrije tijd, maar ook om lichaamsbeweging in het dagelijks leven, thuis, op weg naar het werk en op het werk zelf. Mannen scoren beter dan vrouwen. Dit is vooral zo in de leeftijdscategorie van 15 tot 24 jaar.
- Vrouwen doen te weinig aan lichaamsbeweging om er een gunstig effect uit te halen voor de gezondheid.
- Laagopgeleide personen doen minder aan lichaamsbeweging tijdens hun vrije tijd.
Maar wanneer de lichaamsbeweging tijdens de beroepsactiviteit mee in rekening genomen wordt, valt het onderscheid met hoger opgeleide personen weg.

2.2. Voedingsgewoonten

Naast lichaamsbeweging is ook voeding van tel en de impact daarvan op overgewicht. Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) organiseerde in 2004 een voedselconsumptiepeiling waarvan de resultaten later bekend worden gemaakt. De gezondheidsenquête heeft voedingsgewoonten en -aspecten daarom beperkter aan bod laten komen.

2.3. Voedingstoestand

De BMI (body mass index) is een maat voor het gewicht, gecorrigeerd voor de lengte. Vanaf een BMI van meer dan 25 spreekt men van overgewicht.

Voor Vlaanderen zijn er volgens deze definitie 43% mensen met overgewicht
(48% in het Waals Gewest en 39% in het Brussels Gewest). Dit cijfer is stabiel over de drie Gezondheidsenquêtes.

Een vergelijking met andere Europese landen levert de volgende gegevens op wat betreft het aantal personen met overgewicht: Engeland 63%, Spanje 50%, België 44%, Noorwegen 43%, Nederland 42%, Denemarken 42%, Zwitserland 39%. In de internationale vergelijking zitten we in de middenmoot.

Wat betreft de voedingstoestand, halen we de volgende gegevens uit de Gezondheidsenquête:

- 20% van de bevolking heeft een onregelmatig eetpatroon. Zo wordt het ontbijt bijvoorbeeld vaak overgeslagen.
- 41% van de personen met overgewicht maakt zich geen zorgen over hun gewicht. 42% probeert het huidige gewicht te behouden, 15% probeert te vermageren en 5% probeert te verdikken.
- 68% van de bevolking heeft de afgelopen 2 jaar niet geprobeerd om de vetconsumptie te verminderen. 79% van de bevolking heeft niet getracht het gebruik van vezels te verhogen. Mannen doen minder inspanningen dan vrouwen.

2.4. Alcoholgebruik

De gemiddelde wekelijkse alcoholinname in Vlaanderen is het laagst van de 3 gewesten (9,6 glazen per week in Vlaanderen, 11 glazen in het Brussels Gewest, 11 glazen in het Waals Gewest), maar het globaal gebruik, zeker in de leeftijdscategorie tussen de 15 en de 24 jaar ligt hoger. Ook hier zijn de cijfers vrij stabiel over de 3 Gezondheidsenquêtes, behalve dan het wekelijkse alcoholgebruik dat globaal van 58% in1997 naar 63% in 2004 steeg.

Uit de enquête halen we verder de volgende gegevens:
- Het alcoholgebruik is problematisch bij 8 % van de Belgische bevolking. In Vlaanderen rapporteert bijna 6% van de bevolking in de afgelopen 12 maanden een alcoholprobleem gehad te hebben.
- Vlaanderen drinkt 66,7% van de bevolking wekelijks alcohol.
- 10% van de bevolking drinkt dagelijks alcoholische dranken.
- Het geregeld alcoholgebruik neemt toe met het opleidingsniveau.
Problematisch alcoholgebruik komt echter meer voor bij laaggeschoolden.

2.5. Tabaksgebruik

- Bijna drie kwart (73%) van de Vlamingen ouder dan 15 jaar rookt niet.
Vlaanderen scoort daarin internationaal vergeleken het best. Het aantal rokers bedraagt in Engeland 43%, Denemarken 37%, Noorwegen 38%, Spanje 34% en Zwitserland 30%.
- Het aantal dagelijkse rokers van 15 jaar en ouder bedroeg in Vlaanderen 23%
(versus 24% Brussels Gewest en 26% Waals Gewest), daarnaast zijn er nog 4% occasionele rokers.

Roken bij jongeren
- Zorgwekkend is de vaststelling dat 30% van de Vlaamse jongeren tussen de 15 en de 24 jaar rookt (versus 21% in Brussels Gewest en Waals Gewest), al is er in dit cijfer wel een lichte daling ten opzichte van 2001 vast te stellen. Internationaal gezien is dit nochtans nog steeds uitzonderlijk goed: Engeland 69%, 41% in Zwitserland, Noorwegen, Bulgarije
en Spanje, 36% in Denemarken en Nederland.
- De gemiddelde leeftijd waarop gestart wordt met roken is met 7 maanden vervroegd tot 17 jaar. 10% van de rokende jongeren begon ermee op z’n 14de.

2.6. Seksuele gezondheid

- Globaal valt op dat het gebruik van een condoom lager is in Vlaanderen (50%) dan in het Brussels Gewest (67%) en het Waals Gewest (64%).
- 3% van de bevolking loopt een ernstig risico op een seksueel overdraagbare aandoening, omdat ze seksueel actief was, zonder vaste relatie en geen afdoende bescherming gebruikten.
- Bijna een kwart (23%) van de Belgische bevolking onderging al een HIV-test. In Vlaanderen liet 16,4% zich testen op HIV. In het Brussels Gewest liet 40% van de bevolking zich testen en in het Waals Gewest 28,6.
- De kennis over AIDS is duidelijk verbeterd ten opzichte van 1997, maar nog onvoldoende: slechts 56% kent de goede beschermingsmethodes.

3. Preventieve Geneeskunde

De preventieve geneeskunde heeft de laatste 40 jaar een belangrijke gezondheidswinst met zich meegebracht. In 1985 verschenen de gezondheidsdoelstellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarin duidelijk werd gesteld dat de nadruk moet liggen op programma’s voor gezondheidspromotie en ziektepreventie.

3.1. Vaccinatie

In deze Gezondheidsenquête zijn geen gegevens van kinderen opgenomen. Van de vaccins bij volwassenen is onder meer tetanus belangrijk, daar merken we dat de vaccinatiegraad gedaald is naar 60%. Ook de cijfers voor griepvaccinatie (49%) en pneumokokken vaccinatie (12%) voor volwassen risicopersonen zitten te laag. De vaccinatiegraad vertoont eveneens een socio-economische gradiënt.

3.2. Cardiovasculaire preventie en diabetes

- Op vlak van inschatting van het cardiovasculaire risico werd de bloeddruk bij 90% van de bevolking gemeten in de laatste 5 jaar. Bij 28% werd een te hoge bloeddruk vastgesteld.
- Het cholesterolgehalte werd bij 60% van de bevolking gemeten in de laatste 5 jaar.
40% heeft een te hoog cholesterolgehalte.
- Bij 50% van de bevolking werd de afgelopen 3 jaar het bloedsuikergehalte bepaald.
In 13% van de gevallen bleek het bloedsuikergehalte te hoog te zijn.

4. Medische consumptie

4.1. Contact met zorgverstrekkers

• Huisartsen
Het gemiddeld aantal contacten met de huisarts per jaar en per persoon bedraagt globaal 4,6. De huisarts wordt door 78,6% van de Belgische bevolking minstens 1 maal per jaar bezocht, via de huisarts kan dus een aanzienlijk deel van de bevolking worden bereikt. In Vlaanderen bezocht in het afgelopen jaar 79,5% van de bevolking een huisarts, in het Brussels Gewest 70,7% en in het Waals Gewest 79,4%.

• Specialisten
- Het percentage van de bevolking dat in een tijdspanne van een jaar een specialist raadpleegt, is in Vlaanderen (46%) lager dan in Wallonië (55,8%).
- Het aantal contacten per persoon is vergelijkbaar in Vlaanderen (2) en Wallonië (2,3) doch is veel hoger in Brussel (3,5).
- Ook het aantal patiënten dat op eigen initiatief naar de specialist gaat, is in Vlaanderen veel lager dan in het Brussels Gewest of Waals Gewest. Zo zijn in Vlaanderen 40% van de nieuwe contacten met een specialist het gevolg van een verwijzing door de huisarts (versus 32% in het Waals Gewest en 24% in het Brussels Gewest).

• Dienst spoedgevallen
- Zowel de kans op een contact met een dienst spoedopname als het gemiddelde aantal contacten op jaarbasis is beduidend lager in Vlaanderen. In Vlaanderen is het percentage personen dat in 2004 een contact met de dienst spoedgevallen rapporteert in de afgelopen 12 maanden 10%, in Wallonië en Brussel is dit respectievelijk 14% en 15%.
- In Vlaanderen gaat men veel vaker via een doorverwijzing naar de spoeddienst (25% versus 8% voor het Brussels Gewest).
- Het percentage contacten met de dienst spoedgevallen zonder verwijzing door een arts bedraagt 76% in Vlaanderen, 86% in Wallonië en 92% in Brussel.

• Tandarts
- Het gebruik van tandheelkundige zorg ligt hoger in Vlaanderen en in het Brussels Gewest dan in het Waals Gewest. In Vlaanderen zijn er ook meer raadplegingen voor preventieve controle en orthodontische behandeling.
- In Vlaanderen is 27% van de kinderen tussen 0 en 14 jaar nog nooit bij een tandarts geweest, in vergelijking met 36% in het Waals Gewest en 52% in het Brussels Gewest.
- In het Waals en Brussels Gewest ligt het aantal contacten waarbij een tand gevuld wordt, heel wat hoger dan het aantal preventieve controles. In Vlaanderen is dit ongeveer gelijk, waaruit we kunnen afleiden dat de preventieve benadering in Vlaanderen goed is ingeburgerd.

4.2. Ziekenhuizen

- Wat betreft het gebruik van ziekenhuisvoorzieningen is er in Vlaanderen en Wallonië een gelijkaardige verhouding van klassieke hospitalisatie versus daghospitalisatie. In het Brussels Gewest werd er echter een significant lager percentage personen opgenomen voor een daghospitalisatie.
- Belangrijke vaststelling is dat de opnameduur stijgt naarmate het opleidingsniveau daalt. Dit kan wijzen op een meer voorzichtige ontslagpolitiek met betrekking tot deze patiënten, of mogelijk voelen deze patiënten zich minder zeker voor wat betreft de nazorg.

4.3. Geneesmiddelen

- Het geneesmiddelengebruik ligt in Vlaanderen (zowel voorgeschreven als niet voorgeschreven geneesmiddelen) beduidend lager dan in de rest van het land.
- In Vlaanderen rapporteerde 46% van de bevolking dat ze op het ogenblik van de enquête in de afgelopen twee weken voorgeschreven geneesmiddelen gebruikte. In het Brussels Gewest is dit 47% en in het Waals Gewest 51%.
- In Vlaanderen nam 41% van de bevolking officieel geregistreerde geneesmiddelen in de 24 uur voorafgaand aan het afnemen van de enquête. In Wallonië was dit 47% van de bevolking en in Brussel 42%.
- Vrouwen gebruiken meer geneesmiddelen dan mannen.
- Het gebruik van geneesmiddelen neemt toe met de leeftijd.

5. Gezondheid en samenleving

Het begrip gezondheid kreeg in de loop van de eeuwen een steeds ruimere invulling. Oorspronkelijk werd gezondheid enkel vanuit medisch oogpunt bestudeerd, terwijl het momenteel als een complex sociaal fenomeen wordt gezien.

5.1. Toegankelijkheid van gezondheidszorgen

- Het aandeel van de gezondheidskosten in België in het maandelijks huishoudbuget is gestegen van 95 euro in 1997 tot 115 euro in 2004. Procentueel is het quasi ongewijzigd gebleven (6%). In Vlaanderen werd er in 1997 maandelijks gemiddeld 96,4 euro uitgegeven aan gezondheidszorgen. In 2004 bedroeg de maandelijkse uitgave aan gezondheidszorgen 120 euro.
- Zowat 29% van de Belgische huishoudens vindt deze kosten moeilijk tot zeer moeilijk om dragen. (Vlaanderen 23%, Wallonië 33%, Brussel 40%)
- In Vlaanderen zag 5% van de huishoudens zich genoodzaakt om tijdelijk het gebruik van gezondheidsvoorzieningen te staken omwille van financiële redenen. In het Brussels Gewest was dit het geval bij 18% van de huishoudens, in het Waals Gewest bij 16% van de huishoudens.

5.2. Socio-economische ongelijkheden in gezondheid

Personen met een eerder beperkte opleiding zijn vaker ontevreden over de lichamelijke en mentale gezondheid. Ook de beperkingen die dit met zich meebrengt zijn meer uitgesproken. De leefstijl is ongezonder, de preventie wordt vaak minder benut en de medische consumptie ligt anders: veel huisbezoeken van de huisarts, minder specialistconsulten, minder periodieke tandartsconsulten.

5.3. Gezondheid en milieu

Op vlak van milieu impact geeft 20% van de huishoudens aan hinder te ondervinden. Voornaamste hinder is geur en lawaaioverlast van autoverkeer (9%).

5.4. Gezondheid en ongevallen

De meeste ongevallen gebeuren thuis (32%), op het werk of school (30%), in het verkeer (24%) of tijdens het sporten (19%). Buiten het Brussels Gewest is er geen duidelijke daling in vergelijking met 2001.

5.5. Ouderen

- Specifiek naar de ouderen toe geeft 44% aan niet tevreden te zijn over hun gezondheid.
- 22% voelt zich psychisch onwel.
- De ouderen die niet in een rusthuis verblijven, maken in 9% van de gevallen gebruik van de diensten thuishulp.

600 nieuwe opvangplaatsen in dagverzorgingscentra en centra kortverblijf  (25/01/2006)

Vandaag zorgen ongeveer 300.000 gezinnen voor een zorgbehoevende oudere. Deze man-telzorg krijgt ondersteuning van de dagverzorgingscentra en de centra kortverblijf. De Vlaamse Regering maakt in haar nieuwe meerbanenplan 1,5 miljoen € vrij ter ondersteu-ning van beide centra. Hiermee creëert zij naast 160 nieuwe arbeidsplaatsen ook 600 nieuwe opvangplaatsen voor zorgbehoevende ouderen. Minister van Welzijn Vervotte vindt dat kinderen die voor hun ouders zorgen, een waardevolle keuze maken. Met deze maatregel wil ze de keuze die de mantelzorger maakt ondersteunen en vergemakkelijken. Zo zijn ze ook beter in staat zijn hun werk te combineren met de vaak intensieve zorg..

De mantelzorg in Vlaanderen
Omwille van persoonlijke en emotionele motieven en omwille van de affectieve band met de zorgbehoevende, is de mantelzorger de eerste partner in de zorg. Ouderen krijgen trouwens meer zorg van hun partner, (klein-)kinderen en buren dan van de professionele zorgverstrekkers. Uit onderzoek blijkt immers dat slechts 20% van de zorgverlening aan ouderen wordt verstrekt door professionele zorgaanbieders. Meer dan de helft van de zorgbehoevende ouderen die thuis wonen krijgen vandaag zorg van de partner, terwijl bijna 20% van hen door hun kinderen geholpen wordt.

- Uit onderzoek blijkt dat 63% van de mantelzorgers in Vlaanderen vrouwen zijn.
- 46% van de mantelzorgers in Vlaanderen bevindt zich in de leeftijdsgroep van 41 tot 60 jaar.
- De gemiddelde leeftijd van de mantelzorger in Vlaanderen is 52 jaar, 50 jaar voor vrou-wen, en 55 jaar voor mannen.
- Gemiddeld besteden mantelzorgers 261 uren per maand aan mantelzorg. Dit komt over-een met 9 uur per dag.

De voordelen van dagverzorgingscentra en centra voor kortverblijf
De draagkracht van de mantelzorger kent zowel fysieke als mentale en emotionele grenzen. Zeker in combinatie met een job, is de mantelzorg een zware opdracht. Dagverzorgingscentra en centra voor kortverblijf bieden een oplossing in de zoektocht naar een evenwicht.
• Bij een dagverzorgingscentrum woont een gebruiker wel thuis, maar kan hij gedurende enkele dagen per week – alleen overdag – naar het centrum voor verzorging en opvang. ‘’s Avonds en gedurende het weekend of op de dagen dat hij niet naar de instelling komt, verblijft hij in zijn eigen leefomgeving. Dagverzorgingscentra maken het bijgevolg moge-lijk om de combinatie van arbeid en zorg gemakkelijker te verwezenlijken.
• Een centrum kortverblijf biedt een vorm van tijdelijke opvang aan waarbij een persoon gedurende een korte periode residentieel wordt opgevangen. De aanleiding tot kortver-blijf is vaak de mantelzorg die tijdelijk niet de nodige zorgondersteuning kan aanbieden of zelf nood heeft aan een tijdelijke verademing en ontlasting. Na kortverblijf keert de oude-re weer naar de thuiszorgsituatie.

Extra middelen
Bij de opmaak van het nieuwe Vlaamse meerbanenplan (“Samen voor meer banen”) was de ver-hoging van de activiteitsgraad van de 50-plussers een prioriteit. Het is echter deze leeftijds-groep die als mantelzorger belangrijke taken vervult. De Vlaamse Regering trekt in haar meer-banenplan 1,5 miljoen € uit voor beide centra. Deze extra middelen zorgen voor de creatie van zowel 160 nieuwe arbeidsplaatsen (100 in de dagverzorgingscentra en 60 in de centra kortverblijf) als 600 nieuwe opvangplaatsen voor zorgbehoevende ouderen.